Van natte vinger tot acceptabele berekening

joekleinIn sporttoernooien bestaat de behoefte om prestaties te vergelijken. Dat gaat soms heel eenvoudig. Neem de polsstokhoogspringer. Zijn hoogte wordt op de cm nauwkeurig vastgesteld en die van zijn tegenstanders ook. Bij de meeste sporten kunnen prestaties niet goed in waarde worden uitgedrukt. Bijvoorbeeld denksporten. 

Twee schakers spelen in een toernooi tegen verschillende tegenstanders. Het vergelijken is lastig omdat het niveau

van de tegenstand steeds verschilt. Bij tennis probeert men dit probleem op te lossen door per toernooi de spelers 'punten' te laten verdienen. Hoeveel punten men kan vergaren hangt af van het niveau van het toernooi en van het aantal ronden dat de speler overleeft.

Op grond daarvan wordt een wereldranglijst samengesteld. Bij wielrennen kent men een vergelijkbaar systeem. Het zogenaamde FICP-klassement bij wegwedstrijden voor professionals, heb ik me laten vertellen. Aan zulke methoden kleven duidelijke nadelen. Er wordt ondermeer geen rekening gehouden met de kracht van de tegenstander.

In de schaakwereld was er ook veel natte vingerwerk. Een groepje notabelen bepaalden voorheen speelsterktes.  Sinds de Tweede Wereldoorlog zijn nauw verwante systemen bedacht. Anton Hösslinger uit Ingolstadt ontwierp het Ingo-systeem. In 1948 werd zijn eerste ratinglijst met Duitse schakers gepubliceerd. In 1951 was het Kenneth Harkness uit Amerika die een variant hierop had uitgedacht terwijl enkele jaren later de Engelsman Richard Clarke de BCF-grading lanceerde. Al deze systemen kwamen kortweg op het volgende neer. 

De speelsterkte wordt uitgedrukt in een getal op basis van uitslagen van partijen en toernooien met daarin verwerkt de behaalde score en het niveau van de tegenstand. Alle deze systemen waren goed maar de ontwerpers kregen op nationaal niveau geen voldoende steun en erkenning. Vervolgens eind jaren '50 verscheen Arpad Elo aan het frmament. In 1960 werd hij door de Amerikaanse schaakbond belast met de taak ratingcommissaris.

Aan de hand van voorgaande systemen bedacht hij een verbeterde versie. Zijn aanpak kreeg veel waardering. Hij zag kans de wereldschaakbond te interesseren met zijn formule. De reden hiervan is dat in zijn systeem de onderlinge ratingverschillen duidelijker en natuurlijker samenhangenmet de wederzijdse kansen. Een bijkomend voordeel was dat Elo al snel de computer wist in te schakelen. Het is bekend dat zijn ratingsysteem thans nog steeds wordt gehanteerd bij het bepalen van speelsterkte. De formule luidt: Rn=Ro+KxS. Vrij vertaald: Nieuwe rating is oude rating + factor maal behaalde score over een x-aantal partijen. De factor wordt meestal op 30 gesteld. In geval van te weinig partijen (<27) wordt de factor 40. 

Ooit heeft wijlen Klaas Visser (de vader van Yge) een tabel gemaakt. Aan de hand van die tabel kan men de wisselingen van zijn eigen rating zonder computer bijhouden. Daar ook Arpad Elo's systeem niet honderd procent betrouwbaar is blijft men bezig met het zoeken naar varianten. Maar tot heden is de elorating het enige door de schaakbonden geaccepteerde en erkende systeem van speelsterkteberekening. 

0
0
0
s2sdefault
powered by social2s