Tijdens mijn vakantie afgelopen zomer in Frankrijk zaten er een heleboel Hongaren op de camping. Ze kampeerden niet, maar sliepen ’s nachts in een chalet en werden elke morgen opgehaald door een mooie nieuwe touringbus.

De chalets stonden vlakbij de onze. Als ik ’s morgens op het terras stokbrood zat te eten, kwam de bus voorrijden en klapte de deur open.

Ut de bus kwam dan een vreselijke ‘bus’-lucht die ik wel moest ruiken.

Mijn gedachten gingen meteen 40 jaar terug. Ik zag mezelf weer voor op de treeplank van een FRAM-bus zitten met een kotszakje onder mijn kin.

Destijds ging ik altijd met mijn ouders naar Appelscha op vakantie. We hadden geen auto en gingen met de bus. In de FRAM bussen hing net zo’n misselijkmakende lucht. Dat was waarschijnlijk de reden dat de chauffeurs altijd kotszakjes uit konden delen aan wagenzieke kinderen.

Geel en groen stapte ik dan uit in Heerenveen waar we gelukkig altijd een half uur moesten wachten voor de overstap. Tijd genoeg om voldoende frisse lucht en een kroket uit de automatiek te halen voor het volgende traject. Weer met de bruine papieren zak in mijn handen Meestal haalde ik het niet en stapte ik 3 haltes eerder uit. Heerlijk om de laatste kilometers in de frisse lucht te lopen.

Al heb ik in de auto nooit meer last van wagenziekte, een rondreis met een nieuwe touringbus zou ik niet overleven. De busgeur zal bij mij altijd verbonden blijven met gekots.

E zijn ook lekkere geuren, zoals het doosje met schaakstukken. Als je na een hele zomer het doosje opendoet, ruik je de houten stukken en heb je weer zin om te beginnen! Zelfs met de reukloze plasticstukken van de club.

Het onderstaande fragmentje van Ton Lebbink gaat ook over buslucht en andere luchtjes.

{play}images/mp3/Luchtkastelen.mp3{/play}